Het Kadaster: geschiedenis en taken
Het ‘Hollandse Kadaster’, 1795-1811
Tot het einde van de Republiek der Verenigde Nederlanden en het aanbreken van de Franse tijd in 1795 kende men in het gebied van het latere Koninkrijk der Nederlanden een grote variatie in de registratie van en in de heffingen op onroerend goed. Regionaal konden aanzienlijke verschillen optreden. Gevoegd bij het ontbreken van een goede administratie waarin wijzigingen werden bijgehouden, had dit geleid tot onbillijkheden in de hoogte der waardebepaling en belastingaanslagen. Diverse pogingen in de zeventiende en achttiende eeuw om hierin verbetering te brengen liepen op niets uit. Pas bij de totstandkoming van de eenheidsstaat Nederland in 1798 kon een aanvang worden gemaakt met de invoering van een uniforme heffing. Geheel in de geest van de idealen van de Franse Revolutie stond de machthebbers daarbij een rechtvaardiger verdeling van de belastingheffing voor ogen. De invoering van een landelijk geldend belastingstelsel ging in deze turbulente periode echter moeizaam van start. Pas in 1806 kon minister van Financiën Gogel een Verpondingswet indienen, waarmee de basis werd gelegd voor een uniform belastingstelsel.
De administratieve organisatie werd per departement opgezet. Het departement Utrecht was onderverdeeld in een zestal arrondissementen: Utrecht I, Utrecht II, Amersfoort, Wijk bij Duurstede, Schoonhoven en Woerden (later Schoonhoven II). De opmetingen, karteringen en het aanleggen van belastingkohieren vonden plaats in de jaren 1810-1811. In die relatief korte periode kon nagenoeg het gehele grondgebied van het departement Utrecht in kaart worden gebracht, terwijl daarnaast in zogenaamde maatboeken een ‘figuratief’ kaartje van ieder perceel met gegevens over het soort perceel, de eigenaren, alsmede de oppervlakte in morgens en roeden werden aangetekend. Ondanks een degelijke voorbereiding was het hele project, dat bekend is gebleven onder de naam Hollands Kadaster, weinig systematisch en bovendien onvolledig van opzet. Zo waren de percelen, waarvan de recente huurwaarde al bekend was, niet in de maatboeken opgenomen. Bovendien vertonen de verpondingskaarten verschillen in onder meer afmeting. Om deze redenen zijn deze kaarten bij de invoering in 1811 van het Kadaster naar Frans model, waarbij uniformiteit dwingend was voorgeschreven, voor gebruik afgekeurd. Niettemin vormen de kaarten van het ‘Hollandse Kadaster’ een belangrijke bron voor lokaal-historisch onderzoek. Ten eerste geven ze de situatie weer van circa 15-20 jaar vóór de kadastrale minuutplans en 30-40 jaar vóór de eerste topografische kaarten. Daarnaast bevatten deze kaarten veel meer topografische details dan de latere minuutplans. Circa 65% van de kaarten van het departement Utrecht is bewaard gebleven.
De totstandkoming van het Kadaster, 1811-1832
Na de definitieve inlijving in 1810 van het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk werden de bestaande Franse wetten en bestuurlijke maatregelen ook in ons land van kracht. Daaronder vielen een aantal wetten, decreten en voorschriften gericht op een uniforme belastingwetgeving voor het hele keizerrijk, gebundeld in de reeds in 1808 in Frankrijk ingevoerde Recueil Méthodique des Lois, Décrètes, Règlements, Instructions et Décisions sur le Cadastre de la France, gemakshalve Recueil Méthodique genoemd.
Omdat de bestaande registraties in de Hollandse departementen niet aan de eisen van het Recueil voldeden, werd hier bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 de kadastrering naar Franse snit officieel ingevoerd. De werkzaamheden vingen aan in 1812. Ten behoeve hiervan verscheen in Nederland een tweetalige editie van het Recueil onder de titel Méthodique Verzameling der Wetten, Decreten, Reglementen, Instructiën en Decisiën, betrekkelijk het Cadaster van het Fransche Rijk, kortweg bekend als Méthodique Verzameling. Dit gedetailleerde boekwerk met 1144 artikelen, nog aangevuld met een afzonderlijk modellenboek, zou gedurende de twee volgende decennia fungeren als handleiding voor het opzetten van het Kadaster. Opgemerkt dient te worden, dat de Méthodique Verzameling als letterlijke vertaling van de Recueil Méthodique doortrokken is van Franse termen. Bovendien is de strekking van het werk uiteraard toegespitst op het Franse grondgebied, met fysieke omstandigheden als bergen en gletsjers, die we hier te lande niet aantreffen.
De Franse voorschriften voor kadastrering bleven na het herstel van de onafhankelijkheid voorlopig van kracht. Tot 1825 verliep de kadastrering zeer traag. In dat jaar kwam het proces echter in een stroomversnelling vanwege de geplande invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en de daarin voorziene samenhang tussen grondboekhouding en hypothecaire boekhouding. De vanaf dan met de leiding belaste staatsraad J.P.E. Gericke deed vanaf december 1825 tot en met december 1831 liefst 111 circulaires uitgaan met instructies, aanvullingen, nadere uitwerkingen of correcties op de Méthodique Verzameling. Deze zijn bijeengebracht in de Verzameling van Algemeene Instructiën en Circulaires van het Hoofdbestuur van de Registratie, het Kadaster en de Loterijen, betreffende de uitvoering van het Kadaster sedert 1e January 1826. Ook de circulaires zijn voorzien van modellen. Overigens bleef ondanks alle aanpassingen de Méthodique Verzameling op hoofdlijnen van kracht. De tot 1825 opgetreden vertraging was onder meer gevolg van het feit, dat van de kadastrale basiskaarten, de zogenaamde minuutplans, drie kopieën moesten worden vervaardigd: een veldplan voor de eigen dienst, een netteplan ter inzage voor het publiek en een gemeenteplan, dat bij de gemeenten werd gedeponeerd. De gemeenten kregen ook de beschikking over een afschrift van de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel (OAT), waarin de percelen per sectie in numerieke volgorde werden beschreven naar rechthebbende (opstalhouder, erfpachter, blote eigenaar), omvang, aard en op te brengen belasting, alsmede een afschrift van de Kadastrale Legger, een alfabetisch register waarin per eigenaar de percelen waarvoor deze werd aangeslagen waren bijeengebracht. De legger verwees via een aan elke eigenaar toegekend uniek artikelnummer naar de OAT. Door uitbreiding van het aantal landmeters en een eenvoudiger wijze van kartering probeerde men de voltooiing van de kadastrering te bespoedigen. De minuutplans, die tijdens de inhaalslag tussen 1826-1831 zijn vervaardigd, zijn dan ook van mindere kwaliteit dan de daarvóór gereedgekomen exemplaren.
Op 1 oktober 1832 trad het Kadaster formeel in werking, op grond van de wet dienaangaande van 2 januari 1832 (Stb. 1).
Doelstelling en taak van het Kadaster
Aanvankelijk was de primaire doelstelling van het Kadaster een fiscale: levering van betrouwbare gegevens voor de heffing van een uniforme grondbelasting. Daarom is het logisch dat het Kadaster vanaf zijn ontstaan ressorteerde onder het ministerie van Financiën. Daarnaast beoogde de invoering van het Kadaster de rechtszekerheid ten aanzien van goederen te bevorderen. Aanduiding van ieder perceel met unieke kadastrale kenmerken moest hiervoor borg staan (specialiteitsbeginsel).
In het op 1 oktober 1838 ingevoerde nieuwe Burgerlijk Wetboek werd vastgelegd dat het hypothecaire stelsel het kadastrale perceel tot grondslag heeft. Tevens werd hierin geregeld dat akten, waarin onroerend goed wordt overgedragen of zakelijke rechten worden gevestigd, moeten worden overgeschreven in de openbare registers van het Kadaster en dat de gegevens waarover het Kadaster beschikt openbaar worden (publiciteitsbeginsel).
Hoewel het Kadaster bij de onroerend-goedbelasting en de waterschapsheffing nog altijd een belangrijke rol vervult, is in de laatste decennia het accent steeds meer op de bevordering van de rechtszekerheid komen te liggen. Hieruit volgen zes taken:
1. het beheren van de kadastrale en hypothecaire registers betreffende de zakelijke genotsrechten (recht van eigendom, opstal e.d.) en de zakelijke zekerheidsrechten (recht van hypotheek). Het Kadaster kent vele miljoenen percelen en ongeveer drieëneenhalf miljoen rechtspersonen die als zakelijk gerechtigden staan ingeschreven;
2. het maken en bijhouden van kadastrale kaarten;
3. het instandhouden van een net van coördinaten;
4. het verstrekken van informatie uit de bij het Kadaster aanwezige gegevens;
5. het meewerken aan ruilverkavelings- en landinrichtingsprojecten;
6.` het uitgeven van de Grootschalige Basis-kaart van Nederland (de GBKN).
Sedert 1973 is de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers onderdeel van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Naast de hoofddirectie in Apeldoorn beschikt het Kadaster over vijftien over het land verspreide vestigingen. De directie Utrecht is gevestigd in Utrecht. Vanaf 1 mei 1994 is het Kadaster een zelfstandig bestuursorgaan. De naam is gewijzigd van Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers in Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers, kortweg het Kadaster.
Voorbereiding van de invoering
Administratieve organisatie
Voor de invoering van het Kadaster werd op landelijk niveau een ambtelijk apparaat in het leven geroepen, dat rechtstreeks ressorteerde onder de minister van Financiën. Op departementaal niveau berustte het toezicht op de werkzaamheden bij de prefect van het departement (ná 1814 de provinciale gouverneur des Konings) en de algemene leiding bij de directeur der belastingen. De opmeting geschiedde gemeentegewijs in de volgorde die bepaald werd door de prefect. De metingen werden uitgevoerd door particuliere landmeters onder leiding van een ingenieur-verificateur, die zijn zetel had in de provinciale hoofdplaats. Deze had tevens een aantal schatters en taxateurs tot zijn beschikking. In hoofdlijnen omvatten de werkzaamheden de volgende onderdelen:
1. de opmetingen in het veld;
2. het in kaart brengen van de opmetingsresultaten;
3. de berekening van de oppervlakte der percelen;
4. de opsporing en vaststelling van de eigenaren;
5 de schatting van de belastbare opbrengst;
6. de administratieve verwerking van alle verkregen gegevens.
Delimitatie van de gemeentegrenzen
Volgens de voorschriften van de Méthodique Verzameling moesten allereerst van iedere gemeente de grenzen worden vastgesteld, de zogenaamde delimitatie van de gemeentegrenzen. De grenzen van de kort daarvóór gevormde gemeenten vielen in het departement Utrecht veelal samen met die van de voormalige gerechten. Omdat deze echter niet altijd nauwkeurig vastgelegd of omschreven waren, en in ieder geval niet in het veld gemeten, behoorde de exacte vaststelling van de kadastrale grenzen tot één van de eerste werkzaamheden van de kadastrale bureaus. De grenzen van de burgerlijke gemeenten waren wel richtsnoer en essentiële afwijking daarvan was niet mogelijk; uitzondering was de mogelijke opdeling van een burgerlijke gemeente in meerdere kadastrale gemeenten. Voor de meting werd het pas ingevoerde metrieke stelsel gebruikt. Voor de delimitatie stelde men in elk departement een landmeter-delimitateur aan. Deze moest in tegenwoordigheid van de burgemeester en twee ‘aanwijzers’ (personen die goed bekend waren met de lokale situatie), samen met die van de belendende gemeenten, de grenzen opnemen. De opmeting begon in de noordelijkste punt van de gemeente en volgde de grenzen kloksgewijs. Tijdens die ‘voettocht’ legde de landmeter de grenslijn zoveel mogelijk vast met markeringspunten. De voorkeur hadden natuurlijke herkenningspunten als watergangen en houtwallen; was dit niet mogelijk dan nam men bijvoorbeeld molens of boerderijen. De resultaten van deze opmetingen werden vastgelegd in een proces-verbaal van grensbepaling. Bij het proces-verbaal werden schetskaarten gevoegd, de figuratieve schetsen der grensscheiding, die de grenzen globaal in beeld brachten. De verbalen werden ondertekend door de burgemeester, de landmeter-delimitateur, de aanwijzers en de controlerend ambtenaar der belastingen. Exemplaren van de verbalen berusten bij de kadasterkantoren en in een aantal gevallen in de archieven van de betreffende gemeenten. Latere samenvoegingen hebben geen invloed gehad op het aantal kadastrale gemeenten. De opgeheven burgerlijke gemeente bleef als kadastrale gemeente bestaan. De kadastrale gemeentegrens kan slechts bij wet worden gewijzigd.
De verdeling van de gemeente in secties
Na de definitieve vaststelling van de grenzen gingen burgemeester en landmeter gezamenlijk over tot de verdeling van de kadastrale gemeente in secties. Deze werden aangeduid met hoofdletters, te beginnen met A. Afhankelijk van de omvang van de sectie konden de hiertoe behorende minuutplans zijn uitgesplitst over meerdere bladen, die dan een aanduiding met hoofdletter en nummer kregen (A1, A2 etc.). Ten gerieve van het publiek werden de secties aanvullend nog benoemd met een ter plaatse bekend toponiem. Veelal was dat een aloude naam van een gehucht, wijk, streek of veld.
Ook bij het vaststellen van de secties begon men zoveel mogelijk in het noorden van de kadastrale gemeente. Sectie A was dus het meest noordelijk gelegen. De sectie-indeling werd vastgelegd in een proces-verbaal der verdeeling van het grondgebied der gemeente in sectien.
De driehoeksmeting
Voor het opmeten van het grondgebied hanteerde men een per gemeente zelfstandig bepaald driehoeksnet, dat ook als basis dienst deed voor de detailmeting van de percelen. Men maakte dus geen gebruik van het tussen 1802 en 1811 door C.R.Th. Krayenhoff gemeten landelijke driehoeksnet, dat de Onze Lieve Vrouwentoren te Amersfoort als oorsprong had. De hoekpunten van het lokale net, die circa 1 à 2 kilometer van elkaar verwijderd over de gehele gemeente verspreid lagen, werden aangegeven met in het terrein uitgezette palen, de ‘Lange Juffers’. Deze palen hadden een lengte van 7 à 8 meter met in de top een rieten mand en een vlag. Als nulpunt van dit netwerk werd in de meeste gevallen de toren van de belangrijkste kerk in de gemeente gebruikt (de ‘oorsprong’). De oorsprong kreeg als kenmerk de letter A en alle volgende meetpunten een opvolgende letter. Met een hoekmeetinstrument werden in elk der punten de hoeken gemeten. Door lengtemeting stelde men vervolgens de lengte van één der verbindingslijnen nauwkeurig vast. Met behulp van de goniometrie kon vervolgens de lengte van de overige verbindingslijnen worden berekend. De aldus verkregen gegevens werden ingeschreven in een register van driehoeksmeting.
Tenaamstelling en meting der percelen
Voordat de landmeters de afzonderlijke percelen konden gaan opmeten, dienden ten behoeve van een juiste afbakening en tenaamstelling de eigenaren aan de landmeter opgave te doen van hun eigendom en ter plekke de grenzen hiervan aan te wijzen. In het geval dat een eigenaar niet verscheen, kon de landmeter zijn toevlucht nemen tot informatie van bezoldigde aanwijzers en/of aangrenzende eigenaren en in laatste instantie tot de verpondings-registers en -kaarten uit de periode 1809-1811. Andersom was het mogelijk dat meerdere rechtspersonen aanspraak maakten op hetzelfde perceel. Bood in een dergelijk geval een voorgestelde opdeling geen uitkomst, dan werd het perceel tenaamgesteld op de gezamenlijke eigenaren; in de OAT blijkt dit uit de toevoeging ‘en cons[orten]’ achter de naam van één van de eigenaren.
Grond, water en gebouwen moesten worden opgemeten in hun kleinste onderdelen of percelen, waarbij rekening te houden was met de aard van het gebruik, de eigendomssituatie en de zichtbare perceelsgrenzen. Deze voorschriften, voortvloeiend uit de fiscale doelstelling, hebben een vergaande versnippering in de hand gewerkt. Percelen van één en dezelfde eigenaar, die verschillend werden gebruikt, zijn veelal als afzonderlijke percelen gemeten en gekadastreerd. Dat gold met name voor stukken grond bepoot met verschillende gewassen, bijvoorbeeld deels aardappelen, deels graan. In het terrein aanwezige heggen, wallen etc. die een perceel van één eigenaar in twee delen splitsten werden bij de opmeting als perceelsgrens beschouwd en meestal ook zelf als perceel opgenomen. Aangrenzende huizen van één eigenaar maar met afzonderlijke toegangen vormden twee percelen. Gedeelde eigendom van één pand leidde niet tot aparte perceelsnummers; in dat geval werd het pand op naam gesteld van één der eigenaren, met de toevoeging ‘en cons[orten]’. Het feit dat de landmeter een vergoeding ontving per opgemeten perceel, werkte het ontstaan van een onnodig groot aantal percelen nog eens extra in de hand.
De feitelijke opmeting der percelen, de zogenaamde detailmeting, vond plaats met behulp van een in het terrein uitgezet meetlijnennet. Deze meetlijnen bestonden deels uit de lijnen van het driehoeksnet, en deels uit verdichtingen daarvan. Door middel van loodlijnen en verlengden kon men de perceelsgrenzen vaststellen. De resultaten werden ingetekend op zogeheten (minuut)veldwerken. De meeste veldwerken zijn na de kartering van de gegevens op de minuutplans vernietigd. Pas later heeft men ingezien hoe belangrijk het is om over reconstructiematen te kunnen beschikken. Vanaf 1878 is het verplicht gesteld veldwerken te bewaren.
De vervaardiging van de minuutplans
Tot de minuutplans behoren de verzamelkaart van de gehele kadastrale gemeente en de perceelskaarten per sectie.
De verzamelkaart geeft een overzicht van de indeling in secties en kaartbladen. Ze bevat in ieder geval begrenzing, naam en letteraanduiding van de secties en waar nodig de bladindeling van de onderverdeelde secties. Enkele uitzonderingen daargelaten bestaat het verzamelplan uit één blad.
De perceelsgewijze minuutplans geven de ligging en de begrenzingen weer van de afzonderlijke percelen. Gekozen kon worden uit enkele voorgeschreven schalen. De standaardschaal was 1:2500; voor steden met dichte bebouwing gebruikte men 1:1250; voor gebieden met weinig bebouwing werd doorgaans 1:5000 aangehouden.
Voor de intekening op schaal van de percelen op het minuutplan werd naast de eerder verkregen meetgegevens gebruik gemaakt van een coördinatenstelsel in de vorm van een netwerk van vierkanten (ruiten). De noord-zuid-lijn (meridiaan of Y-as) en de oost-west-lijn (perpendiculair of X-as) lopen door de oorsprong (A) van het boven beschreven driehoeksnet. De lijnen van het coördinatenstelsel zijn op het minuutplan nog terug te vinden. De ruiten zijn boven van links naar rechts aangegeven met cijfers, aan de zijden van boven naar beneden met letters. Om de kaarten leesbaarder te maken werden sommige percelen ingekleurd: huizen (particuliere gebouwen) met lichtrood (karmijn); wegen met bruin (gebrande sienna); wateren met blauw (ultramarijn); kerken met kobaltblauw; dijken en kaden met uitgewassen grijs. Gemeentegrenzen kregen een streep-punt-lijn en een paarse uitwassing; sectiegrenzen een groene uitwassing en bladgrenzen een gele of oranje bies.
Na afronding van het intekenen van de percelen en enkele (meest topografische) markeringen kreeg ieder perceel een uniek kadastraal nummer. De nummering begon per sectie zoveel mogelijk bij het meest noordelijke punt; vervolgens werd per blok percelen naar het zuiden toegewerkt. Voor veel secties was het nodig de intekening te verspreiden over meerdere minuutplans. De perceelsnummering loopt echter onafhankelijk daarvan door. Eigendommen van de overheid waren vrijgesteld van belastingheffing en zijn daarom, overigens niet in alle gevallen, als ongenummerd op de kaart aangegeven. Vrijstelling genoten ook de erkende kerkgenootschappen, maar de percelen in hun bezit zijn wel van een nummer voorzien. Deze percelen werden in de OAT met de kwalificatie ‘onbelast’ aangeduid. Met de nummering van de percelen was de kadastrale aanduiding (gemeente-sectie-nummer) voltooid.
Als alle minuutplans van een gemeente gereed waren, werden zij ter controle opgezonden aan de ingenieur-verificateur. Behalve de netheid en leesbaarheid en de namen van een zeker aantal eigenaren werden ook de metingen gecontroleerd. Hiervoor zette de ingenieur-verificateur lange meetlijnen uit, de zogenaamde verificatielijnen, en bepaalde de totale lengte daarvan. De resultaten werden vergeleken met de maten op het plan. De verificatielijnen zijn als dunne lijntjes nog terug te vinden op de minuutplans. Ter verificatie van details werd per sectie nog een aantal percelen precies opgemeten en met het minuutplan vergeleken.
Op het kantoor van de ingenieur-verificateur werd het administratieve proces afgerond met de berekening van de oppervlakte der percelen en de samenstelling van de OAT.
Vaststelling en classificatie van de percelen
Uit fiscaal oogpunt dienden alle percelen na opmeting naar soort en kwaliteit te worden gewaardeerd. Dit maakte een verfijnde classificatie van alle eigendommen noodzakelijk. Deze taak was opgedragen aan een schattingscommissie, die per gemeente was aangesteld. Ze bestond uit een controleur van de Directe Belastingen en enkele schatters, ook wel zetters genoemd. De classificatie betrof het opstellen van klassen met een bijbehorend tarief als grondslag voor de waardering, terwijl de klassering de uiteindelijke indeling van elk perceel in een bepaalde tariefklasse inhield. De klassering was dus de toepassing van de classificatie op elk perceel. Bij de classificatie maakte men onderscheid tussen twee hoofdcategorieën percelen, de niet-betimmerde (= ongebouwde) en de betimmerde (= gebouwde) eigendommen. De niet-betimmerde percelen waren al naar gelang hun functie en gebruik verdeeld in een per gemeente vooraf vastgesteld en wisselend aantal categorieën zoals bouwlanden en weilanden, waarvan de meeste weer waren onderverdeeld in enkele kwaliteitsklassen, maximaal vijf in getal. De onderverdeling in klassen werd verkregen door van elk soort perceel één of meer representatieve voorbeelden te selecteren. Deze zijn terug te vinden in de staat La.X3, Tabel der gekozen punten van aanhouding of voorbeelden, tot de klassificatie der ongebouwde en gebouwde eigendommen van de gemeente ‘X’, meestal ook voorin de OAT, daar echter zonder motivering van de gehanteerde criteria, en soms voorin de Legger. Was de keuze van de voorbeeldpercelen eenmaal bepaald, dan werd de opbrengst daarvan zorgvuldig nagetrokken. Daartoe maakte men gebruik van de marktprijzen van producten over een periode van vijftien jaar (Méthodique Verzameling, art. 334). Vanaf 1826 golden daarvoor andere termijnen. De twee slechtste en twee beste jaaropbrengsten trok men hiervan af om de gemiddelde opbrengst te verkrijgen, met een verrekening per hectare. Op deze bruto-opbrengst bracht men de productiekosten en eventuele lokale heffingen, zoals waterschapslasten, in mindering. Daarna kon de belastbare opbrengst worden vastgesteld. De betimmerde eigendommen werden in de meeste gevallen ondergebracht in de categorie huizen. Doordat de huuropbrengst per gemeente sterk uiteenliep, varieerde ook het aantal klassen, waarin deze categorie in de afzonderlijke gemeenten was onderverdeeld. Huizen in een dichtbebouwde omgeving werden elk afzonderlijk getaxeerd (Méthodique Verzameling, art. 539). Molens, fabrieken, steenbakkerijen, maar ook landhuizen waren doorgaans als afzonderlijke klasse opgenomen, omdat vergelijkbare objecten binnen de gemeente veelal ontbraken. Van de betimmerde eigendommen hield men de gemiddelde huurwaarde over de voorafgaande periode van tien jaar aan. Deze opbrengst werd verminderd met een kwart van de onderhoudskosten en de belastbare opbrengst van de grond (in niet-betimmerde toestand), waarop het gebouw stond. Voor die percelen gold steeds het tarief voor bouwland klasse 1.
Was de classificatie definitief vastgesteld, dan werd aan elke klasse van alle categorieën eigendommen een tarief toegekend. Vrijgesteld van grondbelasting waren de eigendommen van burgerlijke overheden, kerkgenootschappen, scholen en instellingen voor armenzorg, met inbegrip van eventuele daarop rustende rechten. Hoewel de schattingscommissies inlichtingen zullen hebben ingewonnen over de kadastrering in naburige gemeenten en zich voorts lieten leiden door de opbrengsten van eigendommen, was de kans op onevenredigheden in de classificatie groot. Correcte toepassing van de voorschriften, de interpretatie daarvan en de vakkennis van de schatters hebben de classificatie en de klassering beïnvloed. Ook de tarifering, die per kadastrale gemeente door een aparte commissie werd verricht, heeft er toe geleid, dat aanzienlijke tariefverschillen tussen de gemeenten onderling zijn ontstaan. Dit bezwaar deed zich met name voor bij woningen. Volgens het marktmechanisme, dat uitgaat van de economische waarde, was een woning in een bepaalde klasse in de ene plaats nu eenmaal duurder dan een woning in dezelfde klasse in een andere plaats.
Bezwaarschriften
De eigenaren zelf kregen een bulletin uitgereikt (Méthodique Verzameling, art. 686), waarin de kadastrale aanduiding van hun eigendommen en hun klassering waren opgenomen. Was de eigenaar het met de inhoud daarvan niet eens, dan kon hij binnen een maand zijn bezwaren kenbaar maken (Méthodique Verzameling, art. 700). Zo’n bezwaar kon hij echter alleen maken tegen de juistheid van de tenaamstelling en opmeting der eigendommen, alsmede de klassering, maar niet tegen de hoogte der taxatie (Méthodique Verzameling, art. 701 e.v.). Deze was immers voor alle percelen uit de desbetreffende klasse gelijk. In alle geschillen nam uiteindelijk de prefect van het departement (Méthodique Verzameling, art. 743), en na 1814 de gouverneur des Konings een beslissing.
Situatie na 1832
Al tijdens de werkzaamheden voor het Kadaster werd men geconfronteerd met het probleem, hoe wijzigingen op de juiste manier verwerkt moesten worden. Het minuutplan en de OAT mochten immers niet meer gewijzigd worden, teneinde de oorspronkelijke uitgangssituatie te behouden.
Wat de kaarten betreft moesten alle wijzigingen na 1 oktober 1832 worden bijgehouden op zogenaamde bijbladen. Daarvan maakte men drie exemplaren ter bijvoeging bij respectievelijk het veldplan, het netteplan en het gemeenteplan. Een enorm aantal bladen was het gevolg van deze methode, zodat al in 1835 werd besloten het aantal bijbladen te reduceren. Vanaf 1844 beperkte men het aantal bladen nog verder, door van elk minuutplan nog maar één blad bij te houden. Perceelswijzigingen hield men vanaf dat jaar bij op perceelskaarten. Eén keer per jaar werden deze wijzigingen overgebracht op de bijbladen, netteplans, veldplans en gemeenteplans. Bij de gemeenten bracht men de wijzigingen direct op het netteplan aan, zodat deze bladen de situatie van 1832 niet meer exact weergeven. Vele oude minuutplans zijn in de periode 1860-1875 vervangen door nieuwe bladen.
Ook in de OAT mocht niets meer worden gewijzigd. Gezien de vele doorhalingen en aanvullingen trok men zich van dit voorschrift echter niet bijster veel aan. De OAT’s van veel gemeenten hebben daarom enigszins het karakter van ‘gebruiksregister’.
Volgens voorschrift dienden vanaf 1832 veranderingen geregistreerd te worden in de Suppletoire Aanwijzende Tafels (SAT’s), die dezelfde indeling hadden als de OAT. Aan de hand van de SAT kon de Kadastrale Legger worden bijgehouden. In 1844 werd deze procedure afgeschaft wat betreft verandering van hele percelen. In de SAT werden nu enkel nog veranderingen in de perceelsvorm opgenomen. In 1863 werd ook deze registratie gestaakt. Het in 1844 ingevoerde Register No. 71 gaf een rechtstreekse verwijzing van de SAT naar het artikel in de Kadastrale Legger. Het bevat per gemeente en per sectie alle percelen in numerieke volgorde met daarachter het nummer van het leggerartikel, waarop deze in de Kadastrale Legger zijn geregistreerd. Bij verandering werd het oude artikelnummer niet doorgehaald, maar werd het nieuwe erachter ingevuld.
De gemeenten ontvingen behalve afschriften van de OAT en de gemeenteplans ook kopieën van de Kadastrale Legger, later eveneens van het Register no. 71. Eénmaal per jaar leverden de gemeenten deze bescheiden bij het Kadaster in om ze te laten bijwerken. Voor historisch onderzoek na 1832 zal per gemeente moeten worden nagegaan, in hoeverre het materiaal bewaard is gebleven.
Bronnen
N.B. Niet alle hieronder genoemde archivalia zijn voor alle gemeenten volledig aanwezig. Voor raadpleging van de bij het Kadaster aanwezige bronnen zijn legeskosten verschuldigd.
Méthodique Verzameling der Wetten, Decreten, Reglementen, Instructiën en Decisiën betrekkelijk het Cadaster van het Fransche Rijk, 2 dln., Amsterdam 1812. Een exemplaar van dit werk is te vinden in de Collectie Van der Neut.
Topografische Atlas, nr. 136. Verzameling verpondingskaarten van het ‘Hollandse Kadaster’. Deze serie kaarten beslaat circa 65% van het grondgebied van de provincie Utrecht.
Archivalia betreffende de grondbelasting, inv. nr. 17 (staat La.X3).
Archivalia betreffende de grondbelasting, inv. nr. 15. ‘Tafel van verdeeling der vaste Goederen in klassen’ (tabel no. 5). Alleen van de kadastrale gemeenten Benschop, Breukelen-Nijenrode, Breukelen-St. Pieters, Tienhoven en Vreeswijk zijn deze tafels bewaard gebleven.
Topografische Atlas. Verzameling kadastrale minuutplans 1832; van de 96 kadastrale gemeenten in de provincie Utrecht is een bijna complete serie van circa 950 bladen met de bijbehorende OAT's aanwezig.
Processen-verbaal van grensbepaling.
Kadastrale Leggers.
Alfabetische registers en naamlijsten.
Diverse tabellen en staten ten behoeve van de kadastrering.
Vanaf 1844 Register no. 71.
Hypothecaire administratie.
Suppletoire Aanwijzende Tafels tot 1863.
Literatuur
Avis, J.J. De directe belastingen in het Sticht Utrecht aan deze zijde van de IJsel tot 1528. Utrecht 1930.
Gerding, M.A.W. Dorpsgeschiedenis: bewoning en bewoners. Cahiers voor Lokale en Regionale Geschiedenis, deel 9. Zutphen 1992.
Keverling Buisman, F.; Muller, E. Kadastergids; Gids voor de raadpleging van hypothecaire en kadastrale archieven uit de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw. Den Haag 1979.
Koeman, C. ‘Het Kadaster’, in: Geschiedenis van de kartografie van Nederland, 225-234. Alphen a/d Rijn 1983.
Scheffer, A. ‘Het ‘Hollandse Kadaster’’. Nederlands Geodetisch Tijdschrift, 7 (1977) 17-26.
Scheffer, A. ‘Het ‘Hollandse kadaster’’. Nederlands Archievenblad, 82 (1978) 25-40.
Veldhorst, A.D.M. ‘Het Nederlandse vroeg-19e-eeuwse kadaster als bron voor anderssoortig onderzoek’. Historisch-geografisch tijdschrift, 9 (1991) 8-27.
Vos, M. de. Het Kadaster. Groningen 1902.
