You are here: Home / Het Kadaster / Vaststelling en classificatie van de percelen

Vaststelling en classificatie van de percelen

Vaststelling en classificatie van de percelen

Uit fiscaal oogpunt dienden alle percelen na opmeting naar soort en kwaliteit te worden gewaardeerd. Dit maakte een verfijnde classificatie van alle eigendommen noodzakelijk. Deze taak was opgedragen aan een schattingscommissie, die per gemeente was aangesteld. Ze bestond uit een controleur van de Directe Belastingen en enkele schatters, ook wel zetters genoemd. De classificatie betrof het opstellen van klassen met een bijbehorend tarief als grondslag voor de waardering, terwijl de klassering de uiteindelijke indeling van elk perceel in een bepaalde tariefklasse inhield. De klassering was dus de toepassing van de classificatie op elk perceel. Bij de classificatie maakte men onderscheid tussen twee hoofdcategorieën percelen, de niet-betimmerde (= ongebouwde) en de betimmerde (= gebouwde) eigendommen. De niet-betimmerde percelen waren al naar gelang hun functie en gebruik verdeeld in een per gemeente vooraf vastgesteld en wisselend aantal categorieën zoals bouwlanden en weilanden, waarvan de meeste weer waren onderverdeeld in enkele kwaliteitsklassen, maximaal vijf in getal. De onderverdeling in klassen werd verkregen door van elk soort perceel één of meer representatieve voorbeelden te selecteren. Deze zijn terug te vinden in de staat La.X3, Tabel der gekozen punten van aanhouding of voorbeelden, tot de klassificatie der ongebouwde en gebouwde eigendommen van de gemeente ‘X’, meestal ook voorin de OAT, daar echter zonder motivering van de gehanteerde criteria, en soms voorin de Legger. Was de keuze van de voorbeeldpercelen eenmaal bepaald, dan werd de opbrengst daarvan zorgvuldig nagetrokken. Daartoe maakte men gebruik van de marktprijzen van producten over een periode van vijftien jaar (Méthodique Verzameling, art. 334). Vanaf 1826 golden daarvoor andere termijnen. De twee slechtste en twee beste jaaropbrengsten trok men hiervan af om de gemiddelde opbrengst te verkrijgen, met een verrekening per hectare. Op deze bruto-opbrengst bracht men de productiekosten en eventuele lokale heffingen, zoals waterschapslasten, in mindering. Daarna kon de belastbare opbrengst worden vastgesteld. De betimmerde eigendommen werden in de meeste gevallen ondergebracht in de categorie huizen. Doordat de huuropbrengst per gemeente sterk uiteenliep, varieerde ook het aantal klassen, waarin deze categorie in de afzonderlijke gemeenten was onderverdeeld. Huizen in een dichtbebouwde omgeving werden elk afzonderlijk getaxeerd (Méthodique Verzameling, art. 539). Molens, fabrieken, steenbakkerijen, maar ook landhuizen waren doorgaans als afzonderlijke klasse opgenomen, omdat vergelijkbare objecten binnen de gemeente veelal ontbraken. Van de betimmerde eigendommen hield men de gemiddelde huurwaarde over de voorafgaande periode van tien jaar aan. Deze opbrengst werd verminderd met een kwart van de onderhoudskosten en de belastbare opbrengst van de grond (in niet-betimmerde toestand), waarop het gebouw stond. Voor die percelen gold steeds het tarief voor bouwland klasse 1.

Was de classificatie definitief vastgesteld, dan werd aan elke klasse van alle categorieën eigendommen een tarief toegekend. Vrijgesteld van grondbelasting waren de eigendommen van burgerlijke overheden en erkende kerkgenootschappen, met inbegrip van eventuele daarop rustende rechten. Hoewel de schattingscommissies inlichtingen zullen hebben ingewonnen over de kadastrering in naburige gemeenten en zich voorts lieten leiden door de opbrengsten van eigendommen, was de kans op onevenredigheden in de classificatie groot. Correcte toepassing van de voorschriften, de interpretatie daarvan en de vakkennis van de schatters hebben de classificatie en de klassering beïnvloed. Ook de tarifering, die per kadastrale gemeente door een aparte commissie werd verricht, heeft er toe geleid, dat aanzienlijke tariefverschillen tussen de gemeenten onderling zijn ontstaan. Dit bezwaar deed zich met name voor bij woningen. Volgens het marktmechanisme, dat uitgaat van de economische waarde, was een woning in een bepaalde klasse in de ene plaats nu eenmaal duurder dan een woning in dezelfde klasse in een andere plaats.