You are here: Home / Het Kadaster / Totstandkoming

Totstandkoming

De totstandkoming van het Kadaster, 1811-1832

Na de definitieve inlijving in 1810 van het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk werden de bestaande Franse wetten en bestuurlijke maatregelen ook in ons land van kracht. Daaronder vielen een aantal wetten, decreten en voorschriften gericht op een uniforme belastingwetgeving voor het hele keizerrijk, gebundeld in de reeds in 1808 in Frankrijk ingevoerde Recueil Méthodique des Lois, Décrètes, Règlements, Instructions et Décisions sur le Cadastre de la France, gemakshalve Recueil Méthodique genoemd.

Omdat de bestaande registraties in de Hollandse departementen niet aan de eisen van het Recueil voldeden, werd hier bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 de kadastrering naar Franse snit officieel ingevoerd. De werkzaamheden vingen aan in 1812. Ten behoeve hiervan verscheen in Nederland een tweetalige editie van het Recueil onder de titel Méthodique Verzameling der Wetten, Decreten, Reglementen, Instructiën en Decisiën, betrekkelijk het Cadaster van het Fransche Rijk, kortweg bekend als Méthodique Verzameling. Dit gedetailleerde boekwerk met 1144 artikelen, nog aangevuld met een afzonderlijk modellenboek, zou gedurende de twee volgende decennia fungeren als handleiding voor het opzetten van het Kadaster. Opgemerkt dient te worden, dat de Méthodique Verzameling als letterlijke vertaling van de Recueil Méthodique doortrokken is van Franse termen. Bovendien is de strekking van het werk uiteraard toegespitst op het Franse grondgebied, met fysieke omstandigheden als bergen en gletsjers, die we hier te lande niet aantreffen.

De Franse voorschriften voor kadastrering bleven na het herstel van de onafhankelijkheid voorlopig van kracht. Tot 1825 verliep de kadastrering zeer traag. In dat jaar kwam het proces echter in een stroomversnelling vanwege de geplande invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en de daarin voorziene samenhang tussen grondboekhouding en hypothecaire boekhouding. De vanaf dan met de leiding belaste staatsraad J.P.E. Gericke deed vanaf december 1825 tot en met december 1831 liefst 111 circulaires uitgaan met instructies, aanvullingen, nadere uitwerkingen of correcties op de Méthodique Verzameling. Deze zijn bijeengebracht in de Verzameling van Algemeene Instructiën en Circulaires van het Hoofdbestuur van de Registratie, het Kadaster en de Loterijen, betreffende de uitvoering van het Kadaster sedert 1e January 1826. Ook de circulaires zijn voorzien van modellen. Overigens bleef ondanks alle aanpassingen de Méthodique Verzameling op hoofdlijnen van kracht. De tot 1825 opgetreden vertraging was onder meer gevolg van het feit, dat van de kadastrale basiskaarten, de zogenaamde minuutplans, drie kopieën moesten worden vervaardigd: een veldplan voor de eigen dienst, een netteplan ter inzage voor het publiek en een gemeenteplan, dat bij de gemeenten werd gedeponeerd. De gemeenten kregen ook de beschikking over een afschrift van de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel (OAT), waarin de percelen per sectie in numerieke volgorde werden beschreven naar rechthebbende (opstalhouder, erfpachter, blote eigenaar), omvang, aard en op te brengen belasting, alsmede een afschrift van de Kadastrale Legger, een alfabetisch register waarin per eigenaar de percelen waarvoor deze werd aangeslagen waren bijeengebracht. De legger verwees via een aan elke eigenaar toegekend uniek artikelnummer naar de OAT. Door uitbreiding van het aantal landmeters en een eenvoudiger wijze van kartering probeerde men de voltooiing van de kadastrering te bespoedigen. De minuutplans, die tijdens de inhaalslag tussen 1826-1831 zijn vervaardigd, zijn dan ook van mindere kwaliteit dan de daarvóór gereedgekomen exemplaren.

Op 1 oktober 1832 trad het Kadaster formeel in werking, op grond van de wet dienaangaande van 2 januari 1832 (Stb. 1).