You are here: Home / Het Kadaster / Tenaamstelling en meting van de percelen

Tenaamstelling en meting van de percelen

Tenaamstelling en meting van de percelen

Voordat de landmeters de afzonderlijke percelen konden gaan opmeten, dienden ten behoeve van een juiste afbakening en tenaamstelling de eigenaren aan de landmeter opgave te doen van hun eigendom en ter plekke de grenzen hiervan aan te wijzen. In het geval dat een eigenaar niet verscheen, kon de landmeter zijn toevlucht nemen tot informatie van bezoldigde aanwijzers en/of aangrenzende eigenaren en in laatste instantie tot de verpondingsregisters en -kaarten uit de periode 1809-1811. Andersom was het mogelijk dat meerdere rechtspersonen aanspraak maakten op hetzelfde perceel. Bood in een dergelijk geval een voorgestelde opdeling geen uitkomst, dan werd het perceel tenaamgesteld op de gezamenlijke eigenaren; in de OAT blijkt dit uit de toevoeging ‘en cons[orten]’ achter de naam van één van de eigenaren.

Grond, water en gebouwen moesten worden opgemeten in hun kleinste onderdelen of percelen, waarbij rekening te houden was met de aard van het gebruik, de eigendomssituatie en de zichtbare perceelsgrenzen. Deze voorschriften, voortvloeiend uit de fiscale doelstelling, hebben een vergaande versnippering in de hand gewerkt. Percelen van één en dezelfde eigenaar, die verschillend werden gebruikt, zijn veelal als afzonderlijke percelen gemeten en gekadastreerd. Dat gold met name voor stukken grond bepoot met verschillende gewassen, bijvoorbeeld deels aardappelen, deels graan. In het terrein aanwezige heggen, wallen etc. die een perceel van één eigenaar in twee delen splitsten werden bij de opmeting als perceelsgrens beschouwd en meestal ook zelf als perceel opgenomen. Aangrenzende huizen van één eigenaar maar met afzonderlijke toegangen vormden twee percelen. Gedeelde eigendom van één pand leidde niet tot aparte perceelsnummers; in dat geval werd het pand op naam gesteld van één der eigenaren, met de toevoeging ‘en cons[orten]’. Het feit dat de landmeter een vergoeding ontving per opgemeten perceel, werkte het ontstaan van een onnodig groot aantal percelen nog eens extra in de hand.

De feitelijke opmeting der percelen, de zogenaamde detailmeting, vond plaats met behulp van een in het terrein uitgezet meetlijnennet. Deze meetlijnen bestonden deels uit de lijnen van het driehoeksnet, en deels uit verdichtingen daarvan. Door middel van loodlijnen en verlengden kon men de perceelsgrenzen vaststellen. De resultaten werden ingetekend op zogeheten (minuut)veldwerken. De meeste veldwerken zijn na de kartering van de gegevens op de minuutplans vernietigd. Pas later heeft men ingezien hoe belangrijk het is om over reconstructiematen te kunnen beschikken. Vanaf 1878 is het verplicht gesteld veldwerken te bewaren.