You are here: Home / Het Kadaster / Situatie na 1832

Situatie na 1832

Situatie na 1832

Al tijdens de werkzaamheden voor het Kadaster werd men geconfronteerd met het probleem, hoe wijzigingen op de juiste manier verwerkt moesten worden. Het minuutplan en de OAT mochten immers niet meer gewijzigd worden, teneinde de oorspronkelijke uitgangssituatie te behouden.

Wat de kaarten betreft moesten alle wijzigingen na 1 oktober 1832 worden bijgehouden op zogenaamde bijbladen. Daarvan maakte men drie exemplaren ter bijvoeging bij respectievelijk het veldplan, het netteplan en het gemeenteplan. Een enorm aantal bladen was het gevolg van deze methode, zodat al in 1835 werd besloten het aantal bijbladen te reduceren. Vanaf 1844 beperkte men het aantal bladen nog verder, door van elk minuutplan nog maar één blad bij te houden. Perceelswijzigingen hield men vanaf dat jaar bij op perceelskaarten. Eén keer per jaar werden deze wijzigingen overgebracht op de bijbladen, netteplans, veldplans en gemeenteplans. Bij de gemeenten bracht men de wijzigingen direct op het netteplan aan, zodat deze bladen de situatie van 1832 niet meer exact weergeven. Vele oude minuutplans zijn in de periode 1860-1875 vervangen door nieuwe bladen.

Ook in de OAT mocht niets meer worden gewijzigd. Gezien de vele doorhalingen en aanvullingen trok men zich van dit voorschrift echter niet bijster veel aan. De OAT’s van veel gemeenten hebben daarom enigszins het karakter van ‘gebruiksregister’.

Volgens voorschrift dienden vanaf 1832 veranderingen geregistreerd te worden in de Suppletoire Aanwijzende Tafels (SAT’s), die dezelfde indeling hadden als de OAT. Aan de hand van de SAT kon de Kadastrale Legger worden bijgehouden. In 1844 werd deze procedure afgeschaft wat betreft verandering van hele percelen. In de SAT werden nu enkel nog veranderingen in de perceelsvorm opgenomen. In 1863 werd ook deze registratie gestaakt. Het in 1844 ingevoerde Register No. 71 gaf een rechtstreekse verwijzing van de SAT naar het artikel in de Kadastrale Legger. Het bevat per gemeente en per sectie alle percelen in numerieke volgorde met daarachter het nummer van het leggerartikel, waarop deze in de Kadastrale Legger zijn geregistreerd. Bij verandering werd het oude artikelnummer niet doorgehaald, maar werd het nieuwe erachter ingevuld.

De gemeenten ontvingen behalve afschriften van de OAT en de gemeenteplans ook kopieën van de Kadastrale Legger, later eveneens van het Register no. 71. Eénmaal per jaar leverden de gemeenten deze bescheiden bij het Kadaster in om ze te laten bijwerken. Voor historisch onderzoek na 1832 zal per gemeente moeten worden nagegaan, in hoeverre het materiaal bewaard is gebleven.