You are here: Home / Het Kadaster / Het Hollandse Kadaster

Het Hollandse Kadaster

Het 'Hollands Kadaster', 1795-1811

Tot het einde van de Republiek der Verenigde Nederlanden en het aanbreken van de Franse tijd in 1795 kende men in het gebied van het latere Koninkrijk der Nederlanden een grote variatie in de registratie van en in de heffingen op onroerend goed. Regionaal konden aanzienlijke verschillen optreden. Gevoegd bij het ontbreken van een goede administratie waarin wijzigingen werden bijgehouden, had dit geleid tot onbillijkheden in de hoogte van de waardebepaling en belastingaanslagen. Diverse pogingen in de zeventiende en achttiende eeuw om hierin verbetering te brengen liepen op niets uit. Pas bij de totstandkoming van de eenheidsstaat Nederland in 1798 kon een aanvang worden gemaakt met de invoering van een uniforme heffing. Geheel in de geest van de idealen van de Franse Revolutie stond de machthebbers daarbij een rechtvaardiger verdeling van de belastingheffing voor ogen. De invoering van een landelijk geldend belastingstelsel ging in deze turbulente periode echter moeizaam van start. Pas in 1806 kon minister van Financiën Gogel een Verpondingswet indienen, waarmee de basis werd gelegd voor een uniform belastingstelsel.

De administratieve organisatie werd per departement opgezet. Het departement Utrecht was onderverdeeld in een zestal arrondissementen: Utrecht I, Utrecht II, Amersfoort, Wijk bij Duurstede, Schoonhoven en Woerden (later Schoonhoven II). De opmetingen, karteringen en het aanleggen van belastingkohieren vonden plaats in de jaren 1810-1811. In die relatief korte periode kon nagenoeg het gehele grondgebied van het departement Utrecht in kaart worden gebracht, terwijl daarnaast in zogenaamde maatboeken een ‘figuratief’ kaartje van ieder perceel met gegevens over het soort perceel, de eigenaren, alsmede de oppervlakte in morgens en roeden werden opgenomen. Ondanks een degelijke voorbereiding was het hele project, dat bekend is gebleven onder de naam Hollands Kadaster, weinig systematisch en bovendien onvolledig van opzet. Zo waren de percelen, waarvan de recente huurwaarde al bekend was, niet in de maatboeken opgenomen. Bovendien vertonen de verpondingskaarten verschillen in onder meer afmeting. Om deze redenen zijn deze kaarten bij de invoering in 1811 van het Kadaster naar Frans model, waarbij uniformiteit dwingend was voorgeschreven, voor gebruik afgekeurd. Niettemin vormen de kaarten van het Hollandse Kadaster een belangrijke bron voor lokaal-historisch onderzoek. Ten eerste geven ze de situatie weer van circa 15-20 jaar vóór de kadastrale mi­nuutplans en 30-40 jaar vóór de eerste topografische kaarten. Daarnaast bevatten deze kaarten veel meer topografische details dan de latere minuutplans. Circa 65% van de kaarten van het departement Utrecht is bewaard gebleven. De maatboeken zijn voor slechts enkele gemeenten bewaard gebleven.