You are here: Home / Het Kadaster / Driehoeksmeting

Driehoeksmeting

De driehoeksmeting

Voor het opmeten van het grondgebied hanteerde men een per gemeente zelfstandig bepaald driehoeksnet, dat ook als basis dienst deed voor de detailmeting van de percelen. Men maakte dus geen gebruik van het tussen 1802 en 1811 door C.R.Th. Krayenhoff gemeten landelijke driehoeksnet, dat de Onze Lieve Vrouwentoren te Amersfoort als oorsprong had. De hoekpunten van het lokale net, die circa 1 à 2 kilometer van elkaar verwijderd over de gehele gemeente verspreid lagen, werden aangegeven met in het terrein uitgezette palen, de ‘Lange Juffers’. Deze palen hadden een lengte van 7 à 8 meter met in de top een rieten mand en een vlag. Als nulpunt van dit netwerk werd in de meeste gevallen de toren van de belangrijkste kerk in de gemeente gebruikt (de ‘oorsprong’). De hoekpunten werden met letters aangeduid, de driehoeken met nummers. Met een hoekmeetinstrument werden in elk der punten de hoeken gemeten. Door lengtemeting stelde men vervolgens de lengte van één der verbindingslijnen nauwkeurig vast. Met behulp van de goniometrie kon vervolgens de lengte van de overige verbindingslijnen worden berekend. Van één zijde werd de hoek bepaald die deze maakt met het noorden. Daarna kon men van alle hoekpunten de coördinaten berekenen in een driehoekig assenstelsel. De zo verkregen gegevens werden ingeschreven in een register van driehoeksmeting.